Inleiding
Wanneer het Wachttoren
Genootschap een bepaalde zienswijze aanpast, wordt dit verklaard met de term
"progressief begrip", of "progressieve onthulling". Het licht gaat
volgens Spreuken 4:18 steeds helderder schijnen, en daarom zijn aanpassingen nodig, en
wordt het begrip steeds vollediger, zou luidt de officiële lezing. Het is tevens het
bewijs dat Jehovah's geest de organisatie leidt.
Eén van de duidelijkste voorbeelden van hoe dit
"progressief begrip" in de praktijk werkt, en hoe dit een bestaande leer die als
absolute waarheid werd verkondigd volledig op z'n kop kan zetten, wordt duidelijk door het
in 1962 herziene begrip ten aanzien van de interpretatie van Romeinen 13:1, wie men moet
verstaan onder de "superieure autoriteiten". Tot 1962 leerde het Wachttoren
Genootschap dat deze "superieure autoriteiten" Jehovah en Jezus Christus waren,
en níet de aardse regeringen. Vervolgens ging het roer radicaal om, en kwam men tot de
conclusie dat tóch de regeringen van deze wereld bedoeld werden.
Wanneer we de ontwikkeling van dit begrip door de
Wachttoren organisatie nader gaan bekijken, valt pas op hoe groot een dergelijke
verandering voor het hele geloofssysteem is, en, bovendien, dat het feitelijk niets anders
is dan een terugkeer naar een begrip dat men vóór die tijd er ook al op na had gehouden.
Om na te gaan wat "progressieve onthulling"
of "progressief begrip" voor het Wachttoren Genootschap betekent, wat men onder
"absolute waarheid" verstaat en hoe men hiervoor met de historische feiten
omgaat, zijn de feiten op een rijtje gezet.
De
officiële uitleg
Hieronder volgt de uitleg
over de herziening van het begrip van de "superieure autoriteiten" uit het boek "Jehovah's
Getuigen -Verkondigers van Gods Koninkrijk", de officiële geschiedschrijving
van Jehovah's Getuigen, zoals die door het Wachttoren Genootschap zélf wordt uitgegeven.
Op bladzijde 146-147 vinden we het volgende:
Het licht
schijnt steeds helderder
Zoals in hun hedendaagse geschiedenis wordt weerspiegeld, is
de ervaring van Jehovahs Getuigen als die welke in Spreuken 4:18 wordt beschreven:
Het pad van de rechtvaardigen is als het glanzende licht, dat steeds helderder wordt
tot de dag stevig bevestigd is." Het licht heeft progressief geschenen, juist zoals
het licht van de vroege ochtendschemering plaats maakt voor de zonsopgang en het volle
licht van een nieuwe dag. Daar zij de aangelegenheden bezagen in het licht dat hun ter
beschikking stond, hebben zij soms onvolledige en zelfs onnauwkeurige denkbeelden gehad.
Hoezeer zij ook hun best deden, zij konden bepaalde profetieën eenvoudigweg niet
begrijpen tot deze in vervulling begonnen te gaan. Terwijl Jehovah
door middel van zijn geest meer licht op zijn Woord heeft geworpen, zijn zijn
dienstknechten nederig bereid geweest de noodzakelijke aanpassingen aan te brengen.
Dat progressieve begrip was
niet beperkt tot de vroege periode van hun hedendaagse geschiedenis. Het gaat tot op de
dag van vandaag voort. In 1962 bijvoorbeeld kwam er een herziening van het begrip
betreffende de superieure autoriteiten" uit Romeinen 13:1-7.
Vele jaren lang hadden de Bijbelonderzoekers onderwezen dat
de hogere machten" (KJ) Jehovah God en Jezus Christus waren. Waarom? In The
Watch Tower-uitgaven van 1 en van 15 juni 1929 werd een verscheidenheid van
wereldlijke wetten aangehaald, en werd aangetoond dat wat in het ene land toegestaan was,
in een ander land verboden was. Ook werd de aandacht gevestigd op wereldlijke wetten die
van mensen dingen vereisten die God verboden had of die verboden wat God zijn
dienstknechten geboden had te doen. Wegens hun ernstige verlangen eerbied te tonen voor de
opperste autoriteit van God, scheen het de Bijbelonderzoekers toe dat de hogere
machten" Jehovah God en Jezus Christus moesten zijn. Zij gehoorzaamden nog steeds aan
wereldlijke wetten, maar de nadruk lag erop dat gehoorzaamheid aan God op de eerste plaats
kwam. Dat was een belangrijke les, een les die hen sterkte gedurende de jaren van
wereldberoering die volgden. Maar zij begrepen niet duidelijk wat Romeinen 13:1-7 inhield.
Jaren later werd de schriftplaats
opnieuw zorgvuldig onderzocht, alsmede de context en de betekenis ervan in het licht van
de hele verdere bijbel. Als gevolg hiervan werd in 1962 erkend dat de superieure
autoriteiten" de wereldlijke regeerders zijn, maar met behulp van de Nieuwe-Wereldvertaling
werd het beginsel van relatieve onderworpenheid duidelijk onderscheiden. Dit
gaf geen aanleiding tot een grote verandering in de houding van Jehovahs Getuigen
ten aanzien van de regeringen van de wereld, maar wel werd hun begrip van een belangrijk
gedeelte van de Schrift erdoor gecorrigeerd. Deze ontwikkeling gaf de Getuigen individueel
de gelegenheid zorgvuldig te beschouwen of zij werkelijk hun verantwoordelijkheden jegens
zowel God als de wereldlijke autoriteiten nakwamen. Dit duidelijke begrip van de
superieure autoriteiten" heeft als een bescherming voor Jehovahs Getuigen
gediend, vooral in die landen waar golven van nationalisme en de roep om grotere vrijheid
hebben geleid tot uitbarstingen van geweld en de vorming van nieuwe regeringen.
Dit schijnt zeer eerlijk en acceptabel te zijn. Echter, wat niet
duidelijk wordt uit deze verklaring, en wat toch zéér belangrijk is gezien het doel van
het Wachttoren Genootschap met dit betoog, is dat dit reeds de tweede herziening
van dit begrip was, en dat het zojuist door "progressieve onthulling" verkregen
inzicht feitelijk niets anders was dan een terugkeer naar het standpunt dat men vóór het
nu herziene inzicht er op na had gehouden. Wat ook niet duidelijk wordt in deze paar
zinnen, is de voorname plaats die het -nu dus achterhaalde- begrip had gespeeld in de leer
van de Wachttoren. Jarenlang werd het als niet minder dan een "boeienverbrekende
Koninkrijkswaarheid" en middel om "Gods vijanden aan te vallen"
gepropageerd. Dit zal zo meteen nog nader worden bekeken.
De
situatie vóór 1929
Het bovenstaande
citaat uit het Verkondigersboek maakt duidelijk dat men sinds The Watch Tower-uitgaven
van 1 en van 15 juni 1929 het begrip erop na had gehouden dat Jehovah en Jezus Christus de
"superieure autoriteiten" of "hogere machten" van Romeinen 13:1 waren.
Sinds 1962 wordt nu erkend dat de superieure
autoriteiten" de wereldlijke regeerders zijn.
Maar wat leerde men dan vóór die tijd? Merkwaardig
genoeg geeft hetzelfde Verkondigersboek op bladzijde 190 het volgende antwoord:
Destijds begrepen
zij dat de hogere machten" waarover in Romeinen 13:1-7 (KJ) wordt
gesproken, de wereldse regeerders waren. In overeenstemming daarmee drongen zij
erop aan achting te tonen jegens regeringsfunctionarissen. Ware christenen, aldus C. T.
Russell in een bespreking van Romeinen 13:7 in het boek The New Creation
(uitgegeven in 1904), zouden vanzelfsprekend de meest oprechten zijn in hun
erkenning van de groten van deze wereld, en het meest gehoorzaam aan de wetten en de
vereisten van de wet, behalve waar deze in strijd bevonden zouden worden met de hemelse
vereisten en geboden. Weinig of geen aardse regeerders in onze tijd zullen aanmerkingen
hebben op het erkennen van een opperste Schepper en een boven alles uitgaande getrouwheid
aan zijn geboden. Daarom dienen [ware christenen] te behoren tot de meest wetgetrouwen in
de huidige tijd geen opruiers, geen ruziemakers, geen vitters."
De conclusie die men in 1962 door nauwkeurig lezen van
de bijbel als "progressieve onthulling" van God had ontvangen, blijkt dus niet
anders te zijn dan een terugkeer naar een eerdere zienswijze! Hoe progressief is de
terugkeer naar eerder verlaten standpunt te noemen?
Maar had men eerder dan niet het idee gehad dat men een
dwaling zou kunnen aanhangen met het begrip zoals men dat tót 1962 had gehad? Het
tegendeel blijkt waar te zijn. Ook dát begrip was van Jehovah afkomstig, zoals in het
volgende gedeelte zal blijken, waar wordt aangetoond hoe men jarenlang - van 1929 tot aan
1962 - in De Wachttoren over het nu achterhaalde inzicht sprak.
Hoe
het sinds 1929 verkondigd werd
Hoe luchtig het Verkondigersboek
er ook mee om mag gaan, aan de hand van citaten uit De Wachttoren uit deze
periode kan duidelijk gemaakt worden hoe belangrijk het nu herziene inzicht in
werkelijkheid wel niet was.
Hoe was men in 1929 eigenlijk aan het inzicht gekomen?
Gistte men maar naar een betekenis, of werd het anders gepresenteerd? In De Wachttoren
van december 1934, blz. 187 lezen we:
"In 1929
liet de Heer zijn volk duidelijk zien, wie "de overheden" vormen, en
sedertdien zijn zij in staat geweest om duidelijk te erkennen dat de getrouwen Jehova en
Christus Jezus, die "de overheden" zijn, moeten gehoorzamen en geen compromis
met de goddelooze organisatie die de wereld regeert, welke macht niet van God verordineerd
is, moeten sluiten."
En De Wachttoren, Januari 1935, blz. 4 :
"Jehova
openbaarde zijn volk de beteekenis van "de overheden" door middel van De
Wachttoren in 1929, en daarna zijn de getrouwen niet gezwicht voor de
bedreigingen van den vijand. Zij weten, dat Jehova en Christus Jezus
de "overheden" zijn..."
En ook in De Wachttoren van november 1940
vinden we:
"Een opmerkenswaardige gebeurtenis
had in 1928 plaats: God openbaarde toen aan zijn volk de waarheid
betreffende de "gestelde machten", zijn getrouw volk aanwijzende, dat de
"van God geordineerde machten"... geenszins slaan op de politieke elementen, die
thans de wereld regeeren, doch dat Jehovah en Christus Jezus deze Gestelde Machten zijn. -
Rom 13."
Het zal dus duidelijk zijn: het oude inzicht werd aan
een openbaring van Jehovah zélf toegeschreven.
Het begrip werd echter niet zomaar verkregen. Slechts
na gebed van de gezalfden maakte Jehovah zijn volk, via De Wachttoren,
onmiskenbaar duidelijk dat ze onder een dwaling werkten :
De Wachttoren, september 1938 :
"Vóór 1918 werkte God's volk
onder de dwaling of het verkeerde inzicht, dat de "gestelde
machten" gevormd werden door de autoriteiten van de regeeringen dezer wereld
...
In dien tijd gaf het optreden der
autoriteiten dezer wereld, doordat zij de vrijheid van Jehova's getuigen bij de
verkondiging van de koninkrijksboodschap belemmerden, hun aanleiding, dat onderwerp aan
een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen en zich daarvoor tot den Heer te richten; en na den Heer er om gevraagd te hebben en zijn woord nauwkeurig
bestudeerd te hebben, kwam Gods volk tot de overtuiging dat de "gestelde
machten" Jehova God en Christus Jezus en niemand anders zijn (Rom 13:1) ...
In de Juni-nummers van The Watch
Tower heeft Jehova aan zijn volk duidelijk en onmiskenbaar bekend gemaakt, dat de
"gestelde machten" God en Christus Jezus zijn..."
Het resultaat van het gebed van de gezalfden leverde
achteraf gezien dus een dwaling op!
Alleen Jehovah's getuigen begrepen het op de
juiste manier. Ieder ander begrip gaf blijk van gebrek aan begrip of waardering voor de
bijbel. Zo zei De Wachttoren van februari 1935 op bladzijde 21 :
"In den
tegenwoordigen tijd identificeren alleen Jehova's getuigen de "hoogere machten"
op de juiste wijze. Zij weten en verklaren openlijk dat de "hoogere machten"
gevormd worden door Jehova God en Christus Jezus. Zij wijzen op de oppermacht van
Jehova en bewijzen hun bewering, zoowel door de historische feiten als door het
geïnspireerde woord Gods. Een ieder die van oordeel is, dat een
mensch of een groepje menschen of eenige organisatie op aarde eenig deel vormt van de
"hoogere machten", welke door den apostel in Romeinen 13:1 genoemd worden,
toont, dat hij God's woord niet begrijpt en waardeert."
Vanaf 1962 toonden Jehovah's Getuigen dus blijkbaar aan
dat ze óf zelf de bijbel niet begrijpen en waarderen, óf dat zij als enigen de
"hoogere machten" niet juist identificeerden.....
De Wachttoren, 1 april 1946, blz. 107:
"Vanaf 1928 af had Gods geest hen
geopenbaard dat "de hoogere machten", waaraan iedere Christelijke ziel
onderworpen dient te zijn, niet de regerende autoriteiten dezer wereld zijn, maar dat dit tot in eeuwigheid Jehova God en Christus Jezus, Zijn "Gebieder
der volkeren" zijn (Rom 13:1; King James Vert.; De Wachttoren van 1
en 15 Juni 1929; Eng uitg.) In deze kennis stonden zij standvastig
ten opzichte van de juiste aanbidding van Jehova ... Daarom heeft de Almachtige God Zijn
gewijd "volk voor Zijnen Naam" tot op dezen dag bewaard. Hij heeft hun recht en
hun organisatie om Hem verder te dienen, gehandhaafd."
De eeuwigheid duurde nauwelijks 35 jaar. Ook de
standvastigheid hield geen stand....
De Wachttoren, juni 1936, blz 100:
"'Ieder mens moet zich aan de
hooge overheden onderwerpen.' (Rom. 13:1) De Duivel heeft er voor
gezorgd, dat godsdienstige dwepers dezen tekst hebben aangegrepen om de menschen te doen
gelooven, dat de "hooge overheden" die menschen zijn, die de officieele posities
in de regeering dezer wereld bekleden"
De duivel en zijn godsdienstige dwepers zijn door de
Wachttoren uiteindelijk in het gelijk gesteld...
De Wachttoren, 15 januari 1947, blz. 27:
"Thans, aan dit einde van de
wereld, moet deze Christelijke eenheid worden bereikt. Zij is bereikt door Jehovah's
getuigen, waarvan velen uit de talrijke religieuze organisaties zijn gekomen en anderen
niet tot die organisaties behoorden, doch die zich thans, ondanks dat zij vroeger niet met
elkander overeenstemden, vereenigen in den dienst van God. Hoe is
deze eenheid onstaan? Hoe is de oneenigheid over ieders persoonlijke uitleg van de
Heilige Schrift thans overwonnen of vermeden? Is dit geschied omdat zij zich om een
zichtbare menselijke organisatie of een zichtbaren menschelijken leider hebben vereenigd?
Het antwoord luidt: Neen. Deze eenheid is tot stand gekomen omdat
zij Jehova God en Christus Jezus als de Gestelde Machten erkennen, waaraan iedere
Christelijke ziel om des gewetenswil onderworpen moet zijn. (Rom. 13:1)"
Volgens deze uitleg blijkt de eenheid
uiteindelijk dus op het fundament van een dwaling te rusten.
De Wachttoren, december 1935,
blz 205:
"Voordat het volk
Gods tot het inzicht kwam, wie eigenlijk de "gestelde machten" (Rom 13:1)
vormen, was het beperkt en in boeien gebonden ...
Nu zij eenmaal in het
licht van den tempel gebracht en door Jehova gezalfd zijn, hebben ook zij de opdracht en
de macht ontvangen, "om hunne [de natiën der aarde] koningen te binden met
ketenen, en hunne achtbaren met ijzeren boeien". (Ps. 149: 8) Dit
is nu juist het werk, waarvoor de Heer Jehova's getuigen gebruikt en welk werk zij in de
afgeloopen jaren gedaan hebben.
Gedurende de periode, die verstreken is vanaf de
komst van den Heer tot den tempel tot op den huidigen dag, heeft er een verstrekkende
verkondiging van de koninkrijksboodschap plaatsgehad, en in dien tijd hebben vele menschen
van goeden wil, die met Jehova's getuigen sympathiseeren, maar die terzelfder tijd aan
Satan's organisatie gebonden zijn en er door in knechtschap gehouden worden, de waarheid
vernomen. Deze menschen van goeden wil zijn van meening, dat de
gestelde machten de politieke heerschers en de godsdienstige leiders dezer wereld zijn aan
welke iedere ziel onderworpen moet zijn.
Zulke menschen van goeden wil
kunnen zich zoowel in als buiten de politiek-godsdienstige systemen, "kerken"
genaamd, bevinden, maar zij zijn in knechtschap aan Satan's organisatie en daar blijven
zij, totdat de Heer hun door zijn getuigen de boodschap der waarheid zendt; en als zij vernemen, dat Jehova de alleen ware God en Christus Jezus zijn
Koning is, en dat deze beiden de "gestelde machten" zijn, aan wie zich iedere
ziel te onderwerpen heeft, erkennen zij, dat de gevangenis- deuren voor hen geopend zijn
en zij grijpen de gelegenheid aan om te vluchten; zij vluchten en wijden zich aan God en
zijn organisatie. Dan houden zij op te zuchten en te roepen tegen de gruwelen die in
Satan's organisatie bedreven worden, en zij beginnen zich te verheugen, omdat zij den weg, die hen tot vrijheid brengt, gevonden hebben.
Jehova heeft zijn gezalfden getuigen opgedragen om de boodschap der
waarheid aan anderen te verkondigen en hun derhalve de verplichting op gelegd om al
degenen in te lichten, die bevrijd, wenschen te worden, hoe zij hun vrijheid kunnen
verkregen.
Dit werk moet gedaan en voltooid worden, voordat
Satan's organisatie in Armageddon verpletterd wordt. Hierdoor kan
men dus erkennen, dat allen, te beginnen met Jezus Christus, die in de gezalfde groep van
Jehova gebracht worden, eerst uit de gevangenis moeten bevrijd worden en vervolgens de
boodschap aan anderen, die zich in de gevangenis bevinden, moeten uitdragen
dit
gebod is in het geheel niet willekeurig, maar absoluut verplichtend.
Is dit nu, achteraf gezien, dus het werk waar
Jehovah zijn getuigen voor gebruikte? Is dit de bevrijdende boodschap der
waarheid, die absoluut verplichtend uitgedragen moest worden?
- Reden voor vervolging en smaad
De Wachttoren, 1 april 1948, blz 103.
"Hij is de Allerhoogste, en in
overeenstemming hiermede hebben wij ons losgerukt van de religieuze overlevering
betreffende "de hoge overheden" . Wij beleiden thans dat Jehova God en zijn hoog verheven Zoon
Christus Jezus de ware Hoge overheden zijn, die zijn geordineerd opdat alle Christelijke ziel zich aan hen zou
onderwerpen. Wanneer men dit
standpunt inneemt, geraakt men natuurlijk in botsing met de stelsels der politici die
religieuze overleveringen gebruiken om het volk zo te verblinden dat het zich aan hen
onderwerpt. - Romeinen 13:1, 2, Nw. Vertaling.
Dit is de oorzaak waarom wij worden
gesmaad en zij die ons smaden, zouden ons willen opslokken en verslinden door onheil tegen
ons te stichten op gezag van nationale en staatswetten.
Een laatste voorbeeld van het belang van deze tekst
voor de leer van de Wachttoren dat hier genoemd zal worden is te vinden in De
Wachttoren van 1 september 1950:
De waarheid dat Jehova God en Christus Jezus, en niet de wereldse
politici, de Hogere Machten van Romeinen 13: 1 zijn, werd sedert 1929 duidelijker
gemaakt en er werd een grotere bekendheid aan gegeven, vooral door de uitgaven van De Wachttoren
van 1 en 15 juni van dat jaar (Engels: in het Nederlands De Wachttoren van
Augustus 1929).
De apostelen beschouwden wereldse
politici niet als de "hogere machten", anders zouden zij nimmer tot hen
hebben gezegd: "Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen," (Hand. 5 :
29; 4: 19 . Jezus deed dit evenmin; hij stelde de
"overheden en machten" van handel. politiek en bedrieglijke religie, en eveneens
de krachten der onzichtbare demonen, openlijk aan de kaak en ontwapende ze (Matth. 4 : 8 -
10: 6 : 19 - 21; 19 - 23. 24; 21 12. 13; 23 : 1 - 33: Luk. 13 : 31, 32; Joh. 8 : 44;
18 : 36; 19: 10, 11; Kol. 2 : 14-17, Nw. Vert.). Voor de
eerste Christenen kwam er een eind aan de macht van zulke mannen, zoals er ook een
eind was gekomen aan het leven van de eerstgeborenen van Egypte ten tijde van de tiende
plaag, waardoor de dood van de wereldse heersers als de hogere machten" werd
afgebeeld. Het dood-zijn van de tegenbeeldige eerstgeborenen ("het beginsel [of
voornaamste] zijner kracht") blijkt wanneer Jehova's getuigen voor wereldse
rechtbanken en autoriteiten zeggen: "Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den
mensen." - Deut. 21 :17.
Met deze waarheid over de ware
"hogere machten" vielen Jehovas getuigen daarom sedert 1928 de huidige
Midianieten aan, en met deze waarheid verbraken zij de banden die hen eens, zelfs
in aangelegenheden die met de aanbidding in verband stonden, onrechtmatig in
onderworpenheid hielden, aan de heersers der wereld, daar zij toen nog dachten dat zulke
heersers "van God geordineerd waren. Door de kennis dat God en
Christus de Hogere Machten zijn, werd de macht die wereldse autoriteiten in verband met de
aanbidding van Jehova over Christenen uitoefenden, volkomen verslagen en te niet gedaan.
Sinds de tijd dat zij deze waarheid begrijpen, roepen zij vrijmoedig hun strijdkreet uit:
"Het zwaard van Jehova en van zijn Gezalfde!
Deze oude wereld en haar leiders bevinden zich in een even
diepe duisternis als die welke tijdens de negende plaag over Egypte lag, en het
betrekkelijk kleine aantal getuigen Jehova's omringt dit wereldse kamp en dringt het
binnen.
De gezalfden worden vergeleken met aarden vaten waarin het
kostbare, op een schat gelijkende licht wordt bewaard, en ten einde dit licht te laten
schijnen, verbruiken zij gewillig hun lichamelijke krachten en laten deze zelfs in de dood
gebroken worden gelijk verbrijzelde kruiken van leem. Doch hun als voorbeeld dienende
handelwijze blijft schijnen en het licht neemt toe. - Gen. 4
:10; Ps. 47: 2; 69 : 10; 119 : 105; 150 : 3; Jes. 58 : 1; 60: 1. 2; Jer. 50 15; Matth. 5 :
14 - 16; 1 Kor. 14 : 8, 9; 2 Kor. 4 : 6. 7; Hebr. 11 : 4.
Wereldse mensen zouden kunnen denken dat Jehova's, getuigen
voor de bediening van het evangelie even armzalig zijn toegerust als soldaten die voor een
vleselijke krijg met fakkels, kruiken en hoorns zouden zijn uitgerust.
Doch wanneer de getuigen beginnen te spreken en het licht laten schijnen dat uit de Bijbel komt, geraakt de vijand
in verwarring en geheel van streek, terwijl hij geen stand kan houden tegen de bekendgemaakte waarheden (Joh. 7: 15; Hand. 4 :13).
Uit de Bijbel bewezen de getuigen
dat wereldleiders zich hadden meester gemaakt van een positie die God en Christus
toebehoort, en door de vrijmoedigheid waarmede zij dit onthulden, en het onvermogen van de
vijand er iets tegen in te brengen en zijn positie te handhaven, werden anderen die dit
opmerkten, er toe gebracht in te zien dat Satans handlangers zich niet in hun positie als
de "hogere machten" te bestaan en zij vertelden het anderen die op hun beurt nog
meer mensen in kennis stelden van deze waarheid, waardoor de
"hogere machten" fabel, die door de onderdrukkende heersers werd
verbreid, als door een steek met een zwaard werd doorboord.
Zélfs de apostelen, Jezus Christus en de eerste
Christenen beschouwden de wereldse regeerders niet als de "superieure autoriteiten,
zo weet De Wachttoren hier nog te melden. Let op de enorme aantallen aangehaalde
teksten om deze "bijbelse waarheid" te ondersteunen. Het blijkt dat "de
gezalfden" in staat zijn om werkelijk alles uit de bijbel te "bewijzen".
(De bovenstaande voorbeelden zijn er slechts
enkele van een lange lijst, welke ter wille van de lengte niet geplaatst zijn)
Een staaltje absolute
hypocrisie
Uiteindelijk kwam in 1962
dus de herziening van het begrip (en keerde men feitelijk weer naar het standpunt van
vóór 1929 terug). De Wachttorens van begin 1963 waren voor een groot gedeelte gewijd aan
het "nieuwe licht".
De Wachttoren 15 februari 1963, blz 118:
"In gehoorzaamheid aan Romeinen,
hoofdstuk dertien, zullen wij onderworpen blijven aan de "bestaande
autoriteiten", totdat ze in de komende strijd van Armageddon vernietigd zullen
worden. Wij zullen ons, ongeacht welke politieke partij aan de macht is of welke politieke
groepering zichzelf met geweld naar de top werkt, aan hen onderwerpen."
Wie hadden dat jarenlang dus niet gedaan? Wie waren
duidelijk niet gehoorzaam geweest aan Romeinen, hoofdstuk 13, en hadden zelfs verkondigd
dat de "hogere overheden" uit de duivel waren? Maar alsof het jarenlang
verkondigen van een dwaling nog niet genoeg was, kreeg het Wachttoren Genootschap het
zelfs nog voor elkaar om anderen te beschuldigen van de zaken waar ze zich zelf op zeer
grove wijze aan had bezondigd:
De Wachttoren 1 februari 1963, blz 81:
Religieuze
organisaties in de christenheid hebben zich schuldig gemaakt aan verzet tegen Gods
regeling. Op welke wijze? Door zich tegen de toegestane autoriteiten te verzetten in
plaats van zich aan hen te onderwerpen. Op welke wijze? Door zich in de politiek te
begeven en pogingen te doen een toppositie in de Staat te bekleden en deze te
overheersen... Zij hebben geprobeerd de politieke "hogere machten" de baas te
zijn, in plaats van zich als ware christenen aan hen te onderwerpen... Zij hebben
opstanden ontketend tegen niet-katholieke staten en hebben de leiding genomen bij het
omverwerpen van regeringen die niet de goedkeuring van de Kerk hadden. ...En toch noemt de
Rooms-Katholieke Kerk zich de Bruid van Christus en beweert aan zijn bevelen onderworpen
te zijn, zoals deze via Paulus in Romeinen 13:1, 2 (NW) en via Petrus in 1 Petrus
2:13-17, 21-24 (NW) zijn verschaft. Thans ontvangt de Rooms-Katholieke Kerk een
haar toekomend oordeel"
Een duidelijker voorbeeld van absolute hypocrisie is
waarschijnlijk nauwelijks denkbaar.
Samenvatting
en Conclusies
Het belang van de
achtergronden van een wijziging als die van het begrip van Romeinen 13:1 is natuurlijk
niet zo zeer de wijziging op zich. Het werkelijke belang schuilt in de zekerheid
waarmee men iets kan verkondigen, de bewijzen die men er voor kan overleggen, hoe men het
verbeterde begrip aan God zélf toeschrijft, als bewijs van leiding door zijn Geest aan
zijn "gezalfden", en hoe men vervolgens opeens radicaal het tegenovergestelde
kan beweren, met exact dezelfde argumenten. Vervolgens is men bovendien nog in
staat om anderen verwijten maken over iets wat men jarenlang zelf als absolute waarheid
propageerde.
Jarenlang was deze tekst goed om de kerken en de
geestelijkheid aan te vallen op hun verkeerde begrip, was het een boeienverbrekende
waarheidsboodschap die verplicht verkondigd moest worden, was het een reden voor smaad.
Jarenlang begrepen alleen Jehovah's getuigen deze tekst op de juiste wijze, en was een
andere interpretatie een gebrek aan begrip en waardering voor de bijbel. Jarenlang gold
het als een openbaring van God op het gebed van zijn gezalfden, die een eind
maakte aan een dwaling.
Sinds 1962 weten de getuigen dat ze zelf
degenen waren op wie hun eigen, voor anderen bedoelde woorden betrekking hadden.
Het zal duidelijk zijn, dat ondanks alle mooie woorden
van De Wachttoren, men eens te meer aantoonde slechts een menselijke organisatie
te zijn, gebouwd op menselijke interpretaties en uitleggingen, en wordt leiding door Gods
geest te pas en te onpas erbij gesleurd om datgene te bewijzen wat de leiders van het
Wachttoren Genootschap op dat moment het beste uitkomt.
"Zelfs al zouden zij zeggen: Zo waar
Jehovah leeft!", zij zouden daarmee bij niets anders dan leugen zweren." - Jeremia
5:2
|